Wat wil je weten over Napels en omstreken?
Van Camorra tot Maffia.
Van Camorra tot Maffia.
Als je door een camorra-wijk gewandeld heb zonder hartritme storingen te krijgen – ik had ze gelukkig al – schreeuwt het leven om een nieuwe, een grotere uitdaging. Dan telt zelfs de Vesuvius niet meer als de ultieme. Nee, dan wordt Sicilië met de Maffia en de Etna de grootste uitdaging, waarvoor een mens kan komen te staan. Een uitdaging waar-bij het veilige bungee jumpen waar ook ter wereld – of het zou op de hellingen van deze vulkaan moeten geschieden – toch ernstig verbleekt.
Bleek waren wij ook, toen we op Sicilië voet aan wal zetten. Maar dat had alles te ma-ken met het feit, dat dit eind april geschiedde en de zon nog nauwelijks kans had gekre-gen ons enigszins te kleuren.
Niet onvermeld hierbij mag blijven, dat de veerpont met de Italiaanse naam Acciarello - is de naam van de thuishaven – die ons over de Straat van Messina zette, toch het merendeel van zijn tijd gependeld had tussen Kruiningen en Perkpolder. Na de voltooiing van de Westerscheldetunnel vond deze geboren pendelaar, nieuw emplooi in het prachtige blauwe water van deze Straat. En moet zich daar dus snel thuis gevoeld hebben.
Sicilië overtrof onze stoutste verwachtingen. Mede, omdat alle bloemen op onze komst gewacht schenen te hebben, alvorens hun mooiste lentetooi te showen. Het eiland was één grote bloemenzee. Het had misschien door de scala aan kleuren meer weg van een bloemenlappendeken. Een mens zou hier kleurenblind van kunnen worden.
Nieuw voor ons waren de grote schijfcactussen van zo’n 1 ½ tot 2 meter hoog. Stonden die eerst nog alleen langs de weg, zoals bij ons de langhagen, later stonden velden vol met deze gemene prikplanten. Honderden meters cactussen prachtig in het gelid. Met oranjegele bloemen balancerend op het randje van de bovenste schijf.
Met zoveel van de cactussen hadden er geen mensen meer met rimpels op onze aardbol mogen lopen. Tenminste als ik de reclame van huidcrèmes mag geloven. Echter deze cactussen daar niet om ons schoonheidsideaal te verwezenlijken. Nee, het bleek een goedkoop systeem om de grond in goed conditie te houden.
Ik krijg in Italië steeds meer het idee dat zelfs de nieuwbouw in ruïnevorm plaats vind. Een goedkope, tevens aantrekkelijk manier om toeristen te trekken. Een idee, dat ook op Sicilië weer postvatte. Links en rechts wedijverden steenklompen om de portemonnee van de onwetenden. Etruskische, Phoenische, Griekse, Romeinse en Normandische restanten ‘vervallen’ over elkaar heen om de aandacht te trekken.
En de toerist?! Die moet ze gezien hebben. Anders ben je een cultuurbarbaar! We heb-ben ze ook allemaal gezien. De opgravingen bij en in de stokoude stad Siracuse, het schilderachtige stadje Taormina met het prachtig gelegen Griekse teatro antico, het bijna ein-deloze Dal van de Tempels bij Agrigento en de zwaar in de steigers staande Villa Ro-mana met honderden vierkante meters mozaïek, in Piazza Armerina .Zo veel, dat ik op den duur door de kurkbomen het bos niet meer zag. Of de steentjes in het mozaïek. Zoals in de overweldigende Normandische kathedraal van Monreale. (gebruikmaken van het heel vieze toilet kostte daar in de omgeving twee en vijftig eurocent) Echt mon-nikenwerk.
Dat was ook de catacombe van de ‘cappucini’ in Palermo. Heel anders dan die cata-comben van Rome of Valkenburg. Om maar eens een dwarsstraat te nomen. Niks uit-gehakt of begraven of onder de grond gestopt. Nee, zo’n 8.000 notabelen en monniken voorover hangend aan een touwtje, staande op een plateautje.
Naar mate ik langer door de lugubere gangen liep, kwam steeds vaker de gedachte bij mij op van ‘ze zouden toch wel dood geweest zijn, toen ze daar gehangen werden?!’ Evenzeer de vraag, of de monnik bij de ingang wel echt leefde. Een man met de leeftijd van Methusalem nam daar heel mechanisch – zoals speelgoed aapjes die op een trom-meltje slaan - de verplichte vrijwillige bijdrage in ontvangst.
De warenmarkt van Palermo was een heerlijke toegift. Niks toeristisch, puur voor de autochtonen. Dat bleek ook wel door de vele vissoorten die daar lagen. Geen toerist zou die vrijwillig eten. De haaien die daar lagen waren niet bedreigend, haast aandoenlijk, net of ze glimlachten. Aantrekkelijker en smakelijker vond ik de overvloed aan worst-waren, al of niet gedroogd. Jammer dat een busexcursie slechts een beperkte hoeveel-
heid bagage toestaat!
Het was in Palermo, dat ik weer aan Napels moest denken. Beide steden worden immers voortdurend in verband gebracht met de onderwereld..Voor beide wordt vooraf de waar-schuwing gegeven vooral niet te ver af te dwalen van de ‘kudde’. Toeristen in dit geval. Maar vreemd genoeg heb ik mij noch in Napels, noch in Palermo ook maar één moment echt bedreigd gevoeld. Ik heb nergens verkrampt mijn waardepapieren en portemonnee lopen te bewaken. Zeker niet in Palermo. De enige, die hier een legale aanslag opdeed, was de trotse eigenaar van een broodjeswinkel, die net alles had opgeruimd, maar zeer gastvrij het meubilair weer terug zette, toen wij binnen stapten.
Het hoogtepunt van Sicilië is zowel letterlijk als figuurlijk de Etna. Ik ben op de Vesu-vius geweest. Ik heb deze zelfs te voet beklommen. Dus dacht ik in mijn arrogantie, dat ik wist hoe de Etna er uit zou zien. Mooi niet dus. Zo’n reuze steenoven is nauwelijks voor te stellen. Zelfs niet na het lezen van veel informatie over deze vulkaan.
Een oppervlakte van 42 vierkante kilometers zegt zo weinig. Tot je er omheen rijdt. Of er tegenop, zoals wij het deden. Een asfaltlint van een slordige 14 kilometer slingerde zich naar boven. Het landschap, dat eerst nog beheerst werd door bloeiende bloemen en citrusbomen, waaraan menig vitamientje al hing te bungelen, verandert langzaam in …. Ja wat eigenlijk. Velden antraciet of vette klei. Daar had het veel van weg. Een grote glimmende zwarte massa. Hoe zwarter de massa, hoe jonger de lava. Met her en der een huis, dat net wel of net niet of geheel bedolven was door deze substantie.
Soms was er nauwelijks enige meters verderop, weer een nieuw huis gebouwd. In de veronderstelling waarschijnlijk, dat het noodlot nooit twee keer op dezelfde plaats toe-slaat. Of werk van hogerhand. Want op deze plek kreeg ik toch heel sterk het gevoel, de gedachte, dat hier hogere machten aan het werk zijn. Zo imponerend, zo overweldi-gend. Sprakeloos makend door gebrek aan woorden om het onder woorden te kunnen brengen.
Ga kijken! En je begrijpt precies wat ik bedoel. Maar wel ’s morgens. Tenminste als fo-tograferen je hobby is.
Ook op deze verpletterende Etna moest ik toch aan de Vesuvius denken. De Etna is na-tuurlijk veel imposanter, dreigender. De witte rook heeft niks met de paus te maken. De zwarte evenmin. Dan wordt het: ‘run for your life!’ Nee, het is de ligging van de Vesuvius – heel de baai van Napels wordt gedomineerd door deze geniepige vulkaan – die ik verkies boven die van de Etna. Vooral in de avonduren. Je hebt het door: ik ben een late romanticus.
Dick Ket
POMPEÏ
POMPEÏ
In Amsterdam bezocht ik jaren geleden in de Nieuwe Kerk aan de Dam een prachtige tentoonstelling over Pompeï. Na het zien van zoveel ellende, maar ook veel culturele schatten, nam ik mij voor, dat mocht ik ooit in de gelegenheid zijn dit gebied met eigen ogen te aanschouwen, ik dit beslist niet zou laten.
Ik had nu ook de zekerheid bij deze toeristische vorm van ramptoerisme nie-mand van de hulpverlenende instanties voor de voeten te lopen. Alle betrok-kenen waren naar huis. En ik zou in alle pais en vree dit gebied kunnen bezoe-ken.
Een geruststellende gedachte. Even, want toen wij met een busexcursie van Peter Langhout ook in Pompei belandden, kwam ik al heel snel tot de conclusie dat mijn vrouw en ik niet de enigen waren, die naar de puinhopen kwamen kij-ken. Logisch, maar zelfs als ik de overige Langhoutreisgenoten buiten beschou-wing laat, was het gewoon druk. Alsof de ramp gisteren had plaatsgevonden.
In de haven van Napels lag een Russisch marine opleidingsschip – een heuse driemaster - en de kapitein daarvan had besloten de manschappen naar de wal te sturen. Zo had hij rust en deden die jongens nog enig cultureel en historisch besef op, daar in Pompeï. Want daarheen werden zij van hogerhand gediri-geerd.
Verspilde moeite, want die jonge matrozen toonden weinig interesse. Misschien logisch, want slechte huizen en straten hadden ze genoeg in hun eigen heimat. Deze knapen waren beslist niet het neusje van de zalm. En geld voor een gids was er klaarblijkelijk niet. Die had hun duidelijk kunnen maken, dat deze rampzalige toestand niet het gevolg was van welk totalitair regiem ook. Dus was er van hun kant veel ongeduld en herrie. Van de onze: irritatie.
Die irritatie verdween ook niet. Omdat ik door de tentoonstelling in Amsterdam eigenlijk op het verkeerde been was gezet. Daar had ik de indruk gekregen, dat ik ‘hele’ villa’s te zien zou krijgen. Maar het waren veelal manshoge restanten. Tenminste in het deel dat wij bezochten. Die logisch verklaard werden – daken en plafonds waren weggebrand – maar de door mij opgeroepen beelden niet konden doen verdrijven.
Indrukwekkend was natuurlijk wel het gebied dat getroffen was geworden door deze ramp. En het grote aantal slachtoffers van de eruptie. Deels overbodig, maar zij ontbeerden de kennis, die wij nu wel hebben en waar we overigens niet veel anders mee kunnen doen dan tijdig de benen nemen. Op het moment suprème!
Hoewel, er wordt ook veel gebeden en processies gelopen om het onheil te keren. Want God of de Goden spelen door de eeuwen heen een belangrijke rol in het keren van dit onheil. Gelukkig is Italië katholiek, zodat er niemand het in zijn hoofd haalt te dreigen met hel en verdoemenis. Die door zondig leven over de slachtoffers werden afgeroepen. Zoals dit bij ons wel het geval was bij enkele dominees tijdens en na de Watersnoodramp van 1953.
Nauwelijks te vatten, vind ik het dat de stad – oorspronkelijk aan zee gelegen – zo veel modder, stenen en lava over zich heen kreeg, dat de boulevard midden op het vaste land kwam te liggen. De zee is ver te zoeken.
Fijn en verbazingwekkend vond ik het te horen, dat de beesten nauwelijks het slachtoffer waren geworden. Zij hadden onbewust het dreigende gevaar onder-kend en waren met stille trom uit de gevarenzone vertrokken. Op een enkeling na – zoals het paard van de bakker – die in de tredmolen gespannen stond.
De dieren zijn me nog het meest bijgebleven. Mede doordat er zoveel zwerf-honden liepen of sliepen in afwachting van de volgende uitbarsting. Zouden zij, nu ze zo gedomesticeerd zijn, nog op hun instincten kunnen vertrouwen en tijdig worden gewaarschuwd, als de aarde daar weer binnenste buiten zou worden gekeerd?
Die honden zag ik trouwens later nog terug in een tv-uitzending van de AVRO. En onze Hollandse Gids. Pompeï was qua oppervlak wel een grote stad, maar qua inwonerstal natuurlijk niet. Dus er was geen gemeenteraad en evenmin een burgemeester. Althans zo heb ik het onthouden. Wel die honden met monden, die gevoed moesten worden.
Niet door de Italianen. Huisdieren zijn leuk als status, maar zwerfdieren gaan vanzelf dood. En dan is het probleem over. Maar niet voor onze mevrouw de gids. Zij ging iedere ochtend op stap om die arme beesten te voeren. Ik hoop dat de goden haar goed gezind blijven en dat zij haar werk nog lang mag doen. Zonder dat alle zegen van boven, naar beneden komt!
Dick Ket
POMPEÃ
POMPEÃ
In Amsterdam bezocht ik jaren geleden in de Nieuwe Kerk aan de Dam een prachtige tentoonstelling over Pompeï. Na het zien van zoveel ellende, maar ook veel culturele schatten, nam ik mij voor, dat mocht ik ooit in de gelegenheid zijn dit gebied met eigen ogen te aanschouwen, ik dit beslist niet zou laten.
Ik had nu ook de zekerheid bij deze toeristische vorm van ramptoerisme nie-mand van de hulpverlenende instanties voor de voeten te lopen. Alle betrok-kenen waren naar huis. En ik zou in alle pais en vree dit gebied kunnen bezoe-ken.
Een geruststellende gedachte. Even, want toen wij met een busexcursie van Peter Langhout ook in Pompei belandden, kwam ik al heel snel tot de conclusie dat mijn vrouw en ik niet de enigen waren, die naar de puinhopen kwamen kij-ken. Logisch, maar zelfs als ik de overige Langhoutreisgenoten buiten beschou-wing laat, was het gewoon druk. Alsof de ramp gisteren had plaatsgevonden.
In de haven van Napels lag een Russisch marine opleidingsschip – een heuse driemaster - en de kapitein daarvan had besloten de manschappen naar de wal te sturen. Zo had hij rust en deden die jongens nog enig cultureel en historisch besef op, daar in Pompeï. Want daarheen werden zij van hogerhand gediri-geerd.
Verspilde moeite, want die jonge matrozen toonden weinig interesse. Misschien logisch, want slechte huizen en straten hadden ze genoeg in hun eigen heimat. Deze knapen waren beslist niet het neusje van de zalm. En geld voor een gids was er klaarblijkelijk niet. Die had hun duidelijk kunnen maken, dat deze rampzalige toestand niet het gevolg was van welk totalitair regiem ook. Dus was er van hun kant veel ongeduld en herrie. Van de onze: irritatie.
Die irritatie verdween ook niet. Omdat ik door de tentoonstelling in Amsterdam eigenlijk op het verkeerde been was gezet. Daar had ik de indruk gekregen, dat ik ‘hele’ villa’s te zien zou krijgen. Maar het waren veelal manshoge restanten. Tenminste in het deel dat wij bezochten. Die logisch verklaard werden – daken en plafonds waren weggebrand – maar de door mij opgeroepen beelden niet konden doen verdrijven.
Indrukwekkend was natuurlijk wel het gebied dat getroffen was geworden door deze ramp. En het grote aantal slachtoffers van de eruptie. Deels overbodig, maar zij ontbeerden de kennis, die wij nu wel hebben en waar we overigens niet veel anders mee kunnen doen dan tijdig de benen nemen. Op het moment suprème!
Hoewel, er wordt ook veel gebeden en processies gelopen om het onheil te keren. Want God of de Goden spelen door de eeuwen heen een belangrijke rol in het keren van dit onheil. Gelukkig is Italië katholiek, zodat er niemand het in zijn hoofd haalt te dreigen met hel en verdoemenis. Die door zondig leven over de slachtoffers werden afgeroepen. Zoals dit bij ons wel het geval was bij enkele dominees tijdens en na de Watersnoodramp van 1953.
Nauwelijks te vatten, vind ik het dat de stad – oorspronkelijk aan zee gelegen – zo veel modder, stenen en lava over zich heen kreeg, dat de boulevard midden op het vaste land kwam te liggen. De zee is ver te zoeken.
Fijn en verbazingwekkend vond ik het te horen, dat de beesten nauwelijks het slachtoffer waren geworden. Zij hadden onbewust het dreigende gevaar onder-kend en waren met stille trom uit de gevarenzone vertrokken. Op een enkeling na – zoals het paard van de bakker – die in de tredmolen gespannen stond.
De dieren zijn me nog het meest bijgebleven. Mede doordat er zoveel zwerf-honden liepen of sliepen in afwachting van de volgende uitbarsting. Zouden zij, nu ze zo gedomesticeerd zijn, nog op hun instincten kunnen vertrouwen en tijdig worden gewaarschuwd, als de aarde daar weer binnenste buiten zou worden gekeerd?
Die honden zag ik trouwens later nog terug in een tv-uitzending van de AVRO. En onze Hollandse Gids. Pompeï was qua oppervlak wel een grote stad, maar qua inwonerstal natuurlijk niet. Dus er was geen gemeenteraad en evenmin een burgemeester. Althans zo heb ik het onthouden. Wel die honden met monden, die gevoed moesten worden.
Niet door de Italianen. Huisdieren zijn leuk als status, maar zwerfdieren gaan vanzelf dood. En dan is het probleem over. Maar niet voor onze mevrouw de gids. Zij ging iedere ochtend op stap om die arme beesten te voeren. Ik hoop dat de goden haar goed gezind blijven en dat zij haar werk nog lang mag doen. Zonder dat alle zegen van boven, naar beneden komt!
Dick Ket
Sterven een verhaal van Dick Ket
STERVEN
Met Napels had ik niet zo veel op. Het is dat deze stad op het programma stond van een excursiereis van Peter Langhout, anders had ik er met een boog om heen gereden. Maar ‘Langhout’ dacht als we toch naar de dreigende Vesuvius gaan en vervolgens de straten van Pompeï onveilig maken, zullen we Napels ook overleven.
Napels was voor mij ‘sterven’. Hebben we niet de uitdrukking ‘eerst Napels zien en dan sterven!’ Maar Sterven op de kaart vinden is stervens moeilijk. Feitelijk onmogelijk, want een stadje met zo’n naam bestaat niet! Hoewel, onlangs las ik wel een berichtje, dat er in de omgeving van Napels een stadje zou zijn ge-weest, dat Morte heette, maar wetenschappelijk is dit niet bevestigd.
Napels heeft me een tijdje geboeid, omdat daar Pluisje voetbalde. Ik bedoel hiermee Maradona. Hij tilde in zijn ééntje het hele elftal van Napels naar een Europees topniveau. Duidelijk: hij was een echte voetbalheld. En niet alleen daar. Want hetzelfde kunstje flikte hij ook met het Argentijnse nationale elftal.
M.i. behoorde deze voetbalheld tot één van de grootste in zijn soort. Zelfs nadat zijn hand – handje van God – een omstreden doelpunt maakte tegen Engeland.
Echter zijn heldendom eindigde, zodra hij zijn voetbalschoenen aan de wilgen had gehangen. Hij bleek bij nogal wat omstreden zaakjes betrokken te zijn. Waardoor zijn heldendom overigens in Napels alleen maar toen nam. Ik heb een keer een ‘deskundige’ horen verklaren over deze stad. ‘Als het mooi weer is, is 80% van de inwoners lid van de Comorra, als het regent 100% !’ Of net anders om, een kniesoor die hier op let.
Kortom: toen onze bus Napels binnen reed was ik weinig enthousiast. Mijn indrukken werden slechts bevestigd. Grauw en vies. Maar naar mate we de afzetplek naderden, werd ik toch iets opgewekter. Ik zag een paar mooie gebouwen , die nog redelijk schoon waren bovendien. En her en der ontdekte ik zelfs iets van groen.
Toen ik ‘en passant’ ook nog een kasteel zag, sloeg de onrust toe. Kastelen fo-tograferen is mijn hobby. Gelukkig had ik alles goed in mijn eigen ‘tom-tom’ opgeslagen, zodat toen wij vlakbij de jachthaven gedumpt werden, ik precies wist hoe we moesten lopen om het één en ander op de gevoelige plaat vast te leggen. Ook al heet dit tegenwoordig digitaliseren. Met altijd op de achtergrond de Vesuvius.
Veel tijd hadden we niet. Dus werden het imposante Museo Archeologico Nazionale en een nabijgelegen kathedraal, helaas slechts van de buitenkant bewonderd. Helaas, omdat in dit museum toch de mooiste bewaarde schatten van Pompei en Herculanum liggen.
Het zwarte kasteel – Castel Nuovo – voldeed, waaraan een zwart kasteel moet voldoen. Imposant en dreigend. De bewoners van de stad – mede door de dikke muren – een veilig gevoel tegen bedreigingen van buiten gevend.
Maar mijn vrouw en ik wilden toch iets van het echte Napels zien. Dus die smalle straatjes en de waslijnen. Liefst zonder lijken, want het aantal moorden was de laatste tijd behoorlijk toegenomen. Hoewel we zonder echte informatie liepen, kwamen we daar toch in terecht. Als het ware in een fuik lopend.
De straatjes werden steeds smaller en de zon ging onder in de was, die tussen de voorgeveltjes te drogen hing. De straatjes werden zo smal, dat als ik mijn armen spreidde, ik de voorgevels aan beide kant van de ‘straat’ kon aanraken.
In het begin werden wij door taxichauffeurs gewaarschuwd vooral goed op te letten. Later werden meer gemaand naar de beschaafde wereld terug te keren.
Desondanks voelde ik mij daar geen moment bedreigd. Ik probeerde slechts mijn indrukken over te brengen op het digitale geheugen van mijn fototoestel. Zodat ik thuis rustig kon terug zien, wat ik daar toen heb mogen ondergaan.
Leuk werd het, toen uit één van de huizen een ‘capo van de comorra’ kwam. Althans zo schatte ik hem in door mijn vooringenomenheid. Een klein rond man-netje in een krijtstreep. Schoenen in twee kleuren. Met zijn tweetjes konden we niet gelijktijdig door de straat lopen. Dus gebaarde ik, dat hij voor mocht gaan. Maar nee, ik moest eerst. Doorgaand verkeer heeft voorrang! U begrijpt het al, we stonden net zo lang te gebaren, totdat we allebei gelijktijdig er de pas in zetten. Klem! Veel gelach en geschater! Maar geen angst.
Oude vrouwen op de drempel van de woning. Met opgerolde mouwschorten, opgetrokken rokken, kousloze witte benen. Door ons als oud bestempeld vanwege hun slechte gebit, grijze slonzige haren, maar misschien waren ze wel jonger dan mijn vrouw. Zuidelijke volken tekenen gauw.Toen ik naar binnen-keek, schrok ik van de rommel en de armoe. Vreemd genoeg stond er wel vaak een nieuwe auto voor de deur geparkeerd. Tenminste daar waar dit mogelijk was natuurlijk.
Onlangs waren er onlusten in Napels. Medewerkers van de vuilnisdienst staakten. Maar toen wij door die steegjes, liepen kon ik me toch niet aan de indruk onttrekken, dat deze dienst zich nooit in deze buurt waagde. Of de staking moest daar al begonnen zijn, drie jaar geleden.
Zwerfkatten, te vies om aan te pakken, maar wel altijd heel vriendelijk tegen je benen kopjes gevend. Straathonden, die her en der in restanten van auto’s lagen te slapen. Zo vredig! Veel te eten zullen ze niet gehad hebben, maar veel slaag ook niet, anders was deze rust niet te verklaren.
Een bewoner trachtte me uit te leggen, dat dit Spaanse honden waren. Tot zo
ver begreep ik hem wel, maar wist niet wat hij hier mee bedoelde. Later zou blijken, dat deze aanduiding alles te maken had met de Spaanse bezetting van Napels en dat de plaatselijke bevolking deze Spanjaarden uitmaakte voor vies en lui!
Dat ik uiteindelijk toch onrustig werd, had niks te maken met bedreigingen, maar met de bus van Peter Langhout. We moesten op tijd terug zijn. Daarin slaagden we ook. We zagen zelfs kans nog ergens een ijsje te kopen en een Pulcinella. De Pinokkio van het zuiden.
Dick Ket
Verhalen van Dick Ket. Een verzameling van leuke ervaringen. Te vinden onder reizen naar Napels.
Ciao Tutti, De verhalen van Dick Ket zijn te vinden wat verder naar beneden op de pagina onder de categorie: Reizen naar Napels.
Hieronder zijn de drie laatste verhalen geplaatst, maar Dick kennende zullen er nog vele volgen!! Je blijft lezen. Salve Corinne
SORRENTO
Het lied ‘Ritorno Sorrento’ is wereldberoemd voor de zestigers onder ons. Menig zanger heeft dit lied vertolkt. Voordat het voor de eeuwigheid amen op de plank kwam te liggen. Behalve in Sorrento natuurlijk. Daar worden de toe-risten nog steeds verrast en vergast op dit schone lied.
U raad het al: ook een bezoek aan Sorrento – ik ben immers een zestiger – werd op de agenda gezet. En het was de weer de touringcar van Peter Langhout, die van dit agendapunt geen punt maakte en ons daar, na vele omzwervingen, naartoe bracht. Ik wil geen reclame maken, maar er zijn maar weinig reis-organisaties die met de bus naar Italië rijden. En dan niet alleen om jongelui op het strand uit te kotsen. Zoals bussen vol in één keer naar Salou in Spanje rijden. Maar echt om het land met alles erop en eraan te willen leren kennen. Zij het in beperkte mate, gezien de tijdspanne die hiervoor uitgetrokken is.
Vreemd genoeg is de weg van Sorrento naar Sant’ Agata sui due Golfi mij nog het meest bijgebleven van dit uitstapje. De veel bezongen stad viel me tegen. Het doet een beetje aan ons Volendam denken. Ik kan me voorstellen dat Amerikanen en Japanners zich aan zo’n stad vergapen, maar ik rijd er liefst met een boog om heen. Goed, op één keertje na dan. Want het is net als Campari: moet je één keer in je leven gedronken hebben! En in stadjes zoals Volendam en Sorrento moet je geweest zijn om er over mee te kunnen praten. Altijd goed voor de sociale contacten!.
Sorrento is dus voor mij veel winkeltjes van hetzelfde. Plateel en citroen (ster-ke)drankjes. Bij dat plateel bekroop me trouwens nog het gevoel, dat deze Italiaanse waar in Holland goedkoper was. Desalniettemin kochten we iets. Uit sentimentele overwegingen. En om het thuisfront te bewijzen, dat ook wij, daar geweest zijn. Verder waren er een aantal leuke terrasjes. Waarvan enkele he-lemaal overgroeid in het centrum.
De weg naar de haven klieft zich mooi door steile rotsen. De brug hierover biedt leuk uitzicht. Maar de haven zelf mist de gezellige terrasjes om echt uitnodigend te zijn. Aan de buitenkant van Sorrento deden mijn vrouw en ik overigens een heerlijk ontdekking, die veel van onze teleurstelling weg nam. Lopend door de galerij naar de parkeerplaats van de bus, troffen we een gelatteria aan, waar zoals de naam deed bevroeden, gelatti verkocht werd. Niet zo maar, nee suppa inglesa!
In Nederland eet ik dit regelmatig als een plakje bevroren cake na de maaltijd. In Sorrento echter, was het als schepijs verkrijgbaar. Om m’n vingers bij af te likken. Gelukkig moesten we ons tijdig bij de bus melden, anders had ik mij daar nog ziek gegeten.
Echter, het mooiste van Sorrento vond ik de weg naar Sant’ Agata sui due Golfi. Deze weg was een voorbode van de weg die we enkele dagen later zouden rijden naar Amalfi. Smal, kronkelend, sterk stijgend of dalend al naar gelang de rijrichting. Kleurrijk omzoomd door geurende oleanders. Of olijf- en citrusbomen met zwarte netten er onder om de rijpe vruchten op te vangen. Prachtig uitzicht over de baai van Napels. Met natuurlijk ook, de altijd aanwezige Vesuvius.
Precies op een kruising – van het type waar oma Tingeling gewoond kon heb-ben, die steevast weigerde meneer Humdrum haar huisje te verkopen – in de wereldstad Sant’ Agata sui due Golfi stond ons hotel La Pergoletta. Waarom juist daar is onduidelijk. Want Sant’ Agata kan wedijveren met Ammerstol, waar ook niks te beleven is.
Hotel La Pergoletta was redelijk van alle gemakken voorzien. Er was dus een lift, die in een tempo, dat paste bij de sfeer van de omgeving, naar boven kon gaan. En als hij goedgehumeurd was, ook nog naar beneden. Verder hadden enkele kamers airco. Deze, veelal op de bovenste verdieping gelegen, boden bovendien uitzicht op de beide Golfi’s. Die van Napels en Salerno.
Hoewel deelnemers van onze groepsreis zich scheel ergerden aan dit hotel, heb ik mij daar kostelijk geamuseerd. Waarom ook niet, we waren op vakantie en hadden geen haast. Dat laatste was het belangrijk eigenschap, waar de gast over moest beschikken om zich thuis te voelen. En omdat ik deze eigenschap ingepakt had bij mijn bagage, kon mijn verblijf – dat van mijn vrouw trouwens ook – niet stuk.
Onze bus werd door een ‘Jerommeke’ , een soort kleerkast dus, geloodst naar een bescheiden parkeerplaats. ‘Jerommeke’ was gekleed in een gilletje. Naar later bleek, was de kleur van dit gilletje van groot belang voor de functie, die ‘Jerommeke’ uitoefende op het moment, dat hij aangesproken werd. Had hij niet het juiste aan, werd er eerst van gilletje gewisseld.
Met andere woorden: zijn werk bestond hoofdzakelijk uit verkleden. De wijze waarop hij zijn werk deed, was aandoenlijk. De liefde voor het vak straalde er duidelijk vanaf. Of de onbekendheid van het terrein. Hoe dan ook, ik werd dagelijks ontroerd door de wijze waarop de man met zijn vak bezig was. Vooral bij het opdienen van eten.
Niet teveel niet te weinig. Hij moest – hup, ander gilletje aan – ook de zakelijke belangen van het hotel in de gaten houden natuurlijk. Hoewel hij m.i. niet de eigenaar was. Dat was een jongeman, die ter zijde werd gestaan door zijn opa en oma. Die samen de indruk wekten dagelijks een hoofdstuk uit een studie-boek ‘Hoe run ik een hotel’ te lezen en deze vervolgens in de praktijk toepasten. In hetzelfde tempo waarin opa en oma lazen.
Het opmaken van de rekening, er werd per maaltijd afgerekend, was een feest. Voor iedere consumptie of extra bestelling werd een bonnetje – gescheurd uit een boek – afgegeven. Daarop werd geschreven wat er besteld was en wat het kostte.
Amusant werd het werkelijke afrekenen. Niet even alles optellen, dat was te moeilijk. Ieder bonnetje op zich, moest worden voldaan. Geduld was dus een schone zaak. Maar de ernst waarmee dit gebeurde, vergoedde alles. Van een ontroerende klasse.
Aangrijpend was gewoon het mandje dat bij de uitgang van de eetzaal op de laatste avond werd neergezet om de fooi over de afgelopen dagen alsnog in ontvangst te nemen. Want als dit ook bij het afrekenen had moeten gebeuren, was de rekenarij helemaal in de soep gelopen. Uit beleefdheid wilden zij niet kijken, wat er geofferd werd. Maar deden het stiekem toch. Waarin grote men-sen weer kind konden zijn.
Op basis van meetbare bepalingen was La Pergoletta een drie sterrenhotel. Maar hiermee werd het hotel, de eigenaren en het voltallige personeel ‘Jerom-meke’ ernstig tekort gedaan. Tenminste als je daar verblijft als Italiaan onder de Italianen. Genietend van de momenten, het uitzicht, de zon, de geuren, het eten, de drank en het ijs. Behalve dan die eeuwig blaffende honden van de buren!
Dick Ket
VESUVIUS
De Vesuvius moest ik zien. Die wil kwam al bij mij op tijdens een bezoek aan de grote Pompeï tentoonstelling in de Nieuw Kerk te Amsterdam. Alleen schuilt er tussen willen en zien in de praktijk een behoorlijke kloof. Tenminste bij mij. De wil is er wel. Maar het lijf is aardig versleten en kent zo zijn beperkingen.
Maar die zijn te overwinnen. Met geduld en beleid kwamen we dankzij Peter Langhout middels een boeiende busexcursie toch in het gebied terecht, waar ‘mijn’ Vesuvius stond. EN HOE!
Hoewel deze vuurspuwer de helft van zijn hoogte had verspeeld bij de grote eruptie van 79 n. Chritus – de Goden straften hem onmiddellijk – bleef er toch een bijzonder imposante steenklomp over. Die de hele omgeving van de Baai van Napels domineerde. Hoe ik ook keek, ik zag altijd de Vesuvius. Behalve als het hard regende of mistig was.
Maar voor dit weertype hoefde ik geen duizenden kilometers te rijden. Dan had ik net zo goed thuis kunnen blijven. In Italië is het altijd mooi weer. Dus zag ik dagenlang de Vesuvius. Ik was een gelukkig mens. Totdat we met onze Lang-houtgroep deze rommelende reus zouden gaan bezoeken. Want verrek, het regende die middag en als de neerslag zou toenemen, werd het te gevaarlijk – ook zonder eruptie – om hem te bestijgen. Het eerste deel met de bus, het lastigste gedeelte lopen.
Gelukkig voor ons ging het storten over in motten, waardoor het mogelijk bleef deze grote vulkaan te bestijgen. Ik heb her en der iets gelezen over een stoeltjeslift, maar die was of die middag met vakantie of mijn brillenglazen wa-ren beslagen, maar die lift heb ik niet gezien. Wel de voorbereidingen om een lift naar het randje van de krater te brengen. Maar die zou pas over twee jaar (2007) klaar zijn. Tenminste als ik op mijn Italiaans kan vertrouwen. Een zware zelfoverschatting, want ik ben officieel doof.
Hoe dan ook, mijn vrouw en ik zijn lopend boven gekomen. Mijn vrouw redelijk monter, ik zwaar hijgend en piepend. Het was ook best lastig, dat hele dunne ‘zand’ dat geen zand was. Makkelijk te zien aan de kleur! Grijs. Een stap omhoog, een halve afstand weer terug naar beneden glijdend. In Eijsden noe-men ze zoiets de ‘bronk’.
Het leuke van deze wandeling was niet alleen de inspanning, maar ook het zicht. Overal zag ik op de helling sporen van lavastromen. Oude, want anders had ik hier niet zo dichtbij kunnen komen. Bovendien was duidelijk waar te nemen, dat de natuur zich redelijk happy voelde bij al die lava. Zo zeer zelfs dat er een nationaal natuurpark huisde op de helling.
Het leuke was voorts dat we na het lopen in de wolken, letterlijk in dit geval, ongelofelijk werden verrast toen we deze wattendekens overstegen. In een stralende zon zagen verderop de baai van Napels en de gelijknamige stad zelf. Adembenemend en dit keer niet door het klimmen.
De krater was prachtig en best imposant qua grootte. Toch was ik enigszins verrast dat een gat van zo’n omvang zulke gigantische hoeveelheden troep en lava over de omgeving kon uitkotsen, waardoor deze bijna van de kaart werd geveegd. Ik denk toch dat de mensen echt niet wisten wat hun boven het hoofd hing. Die eruptie was immers geen dagelijkse bezigheid van deze berg.
Ik voelde me geen moment bedreigd, toen ik daar boven in de kater stond te kijken. Er plofte wel ergens en pluimpje rook, maar dat deed deze berg alleen om toeristen te trekken. Stel dat deze steenklomp geen enkele activiteit zou vertonen, dan zou het aantal bezoekers drastisch terug gelopen zijn.
Later las ik in een wetenschappelijk artikel, dat de Vesuvius een van de ge-vaarlijkste vulkanen ter wereld is. Want als hij klapt, waarschuwt ‘meneer’ niet, hij doet het gewoon. In één keer net zoals in het verre verleden. Om die reden koopt de gemeente Napels woningen op in de bedreigde gebieden. Het aantal slacht-offers zou vele malen groter worden dan in het grijze verleden.
Maar echt kans van slagen maakt deze opkoopactie (nog) niet. Het bedrag voor de woningen is laag, het wantrouwen tegen de overheid te groot en de be-volking is in de loop der tijd zo in slaap gesust, dat er een wonder nodig zal zijn om hen te bewegen te repatriëren. Het laat zich makkelijk raden: een nieuwe eruptie! Maar zoiets wens ik niemand toe, Daarom steek ik nog maar ergens een kaarsje op. En nu maar hopen dat de Goden dit zal welgevallen.
Dick Ket
MAGNETISCH
Voordat ik verder ga met mijn Italië-ervaring, wil ik eerst even duidelijk maken, dat ik jammer genoeg niet gesponsord word door Peter Langhout Reizen. Maar deze reisor-ganisatie is één van de weinige in ons land, die met de bus helemaal naar het zuiden van Italië rijdt. Dit jaar ontdekte ik dat Maaskant Reizen dit ook doet. Voor de eerste keer. En hopelijk niet de laatste keer, want de droomreis die wij naar de ‘hak en de sporen aan de laars’ wilden maken, werd geannuleerd. Helaas!
Maar goed, terug naar mijn verhaal. Wij reden dus met Peter L te A. naar het Albano meer. Een imposant vulkanisch meer in een schitterende omgeving. Zo hemels, dat zelfs de paus deze streek uitkoos om in de zomer te verblijven.
Om dit hemelse karakter in stand te houden stond er boven op een berg een aantal zend-masten, die de kerkelijke leider ook daar in staat stelt met Hem van Boven of het gewo-ne klootjesvolk – kortom: met iedereen – te communiceren.
Op de stijgende weg naar het meer vertelde onze chauffeur, dat dit een heel bijzondere weg was op een heel bijzondere berg. Hoewel het asfalt ons als gewoon asfalt voor-kwam en ook de omgeving ‘gewoon’ fraai leek, konden wij niets bijzonders aan de berg en de weg ontdekken. Hoe zeer we ons best ook deden. Toch was deze berg en weg bijzonder, volgens Karel, onze chauffeur. Zij waren magnetisch! Dus moesten we extra aandacht besteden aan onze pinpassen – goed wegstoppen – en onze digitale hor-loges.
Toen wij hierover onze twijfels uitten, was onze Karel natuurlijk in zijn eer aangetast. ‘Zien jullie, dat deze weg oploopt?! Welnu, ik zal de bus stop zetten en dan merken jullie dat de bus, ondanks deze helling, keurig op zijn plaats blijft staan. Dat komt door het magnetisme. Misschien wel veroorzaakt door de zendmasten van Radio Vaticano!’
En de bus bleef staan, maakte niet de minste aanstalten om terug te rollen. Ik maakte Karel duidelijk, dat als ik mijn auto met een automaat op een helling stil zette, deze ook zo bleef staan. ‘Dit heeft niks met magnetische krachten te maken!’ Karel zette hierop de motor af, de versnelling in zijn vrij en stapte vervolgens uit. Desondanks bleef de bus staan, waar hij stond. Waarschijnlijk de toorn van hogerhand vrezend. Je weet het maar nooit.
Toen wij na een rondje Albano meer, later die dag weer op de magische plek aan-kwamen, nu daalde de weg, werd de truc wegens enorm succes herhaald. Alleen zou de bus dit keer niet terug rijden, maar juist voorwaarts. De bus stond – om een kromme beeldspraak te gebruiken – aan de grond genageld.We waren er bijna waren overtuigd, dat er in het asfalt van deze weg zware metalen moesten zitten.
Het grote raden begon. Maar Karel was een voorbeeldige Willem de Zwijger. En gaf zijn geheim niet prijs. Tenminste voorlopig niet. Het geheim breidde zich nog uit. Want toen mijn vrouw ’s avonds in Pietramurata – muur van stenen – geld trachtte te pinnen, ging het fout. Even maar, maar lang genoeg om een echte Haagse, die met ons meege-lopen was, in opperste verwarring te brengen.
Die verwarring werd nog groter, toen ineens de batterij van het hoorapparaat van mijn
vrouw leeg was. ‘Zie je’, sprak deze, ‘toch die magnetische berg!’ Onze onvervalste Haagse deed het bijna in haar broek.
Tussen haakjes: niet onvermeld mag blijven, dat we teruglopend naar ons hotel, als door een magneet aangetrokken, in een klein kerkje belandden, waar een koor a capella het Ave Maria instudeerde. Wonderschoon!
Een dag later was onze Haagse reisgenote jarig. Zij werd 65 jaar. Dat is zo’n bijzondere leeftijd, dat Karel haar aanbood, haar en alleen haar, het geheim van de magnetische weg te verklappen. Opgetogen kwam zij na enige tijd terug. Zij wist het! En kon het niet voor haar houden. ‘Valse plats’, verraadde zij in plat Haags. ‘Karel zegt, dat het valse plats is!’
Mijn vrouw en ik hadden al zo’n vermoeden. In mijn goede tijd hebben we veel gefietst. Zoals van Zuid-Frankrijk naar Nederland. Maar onze jarige Jet had geen notie van ‘plat-sen’, laat staan van ‘valse platsen’. Toch was zij blij met haar ‘cadeautje’. Iemand had haar in vertrouwen genomen. En dan mag je een gegeven paard niet in de bek kijken!
Dick ket.
MONTECASSINO
Voordat de bus van Peter Langhout me bij deze berg uitspuugde, waarop en waarom een geweldige veldslag heeft plaatsgevonden in de Tweede Wereldoorlog, had ik enkele boeken over dit treffen bij het klooster van Montecassino gelezen. Ik was altijd lichtelijk verbaasd geweest over de gang van zaken daar. Ik kon me moeilijk voor-stellen, dat één klooster zo’n sta in de weg kon zijn voor een heel leger.Totdat ik met eigen ogen het strijdtoneel kon aanschouwen, waar al dit bloedvergieten had plaats-gevonden.
Ter plekke vielen mij de schellen van de ogen en alle stukjes van de puzzel naadloos op hun plaats. Met in het achterhoofd natuurlijk, het tijdstip waarop dit treffen plaatsvond. Aan het eind van die tweede wereldoorlog. Er werd toen wel naar hartelust gebom-bardeerd. Maar er was zeker geen sprake van precisie bombardementen.
Laat staan van raketten, die van oorlogsschepen en onderzeeërs werden gelanceerd. Hit-lers geheime wapens, de V1 en V2 waren wel de voorlopers hiervan. Echter, die stonden als ware opgesteld bij ons in de achtertuin. Als we tenminste een achtertuin hadden gehad. Wij woonden toen nog in Den Haag. Mijn ouders – ik vertoefde veilig in het ziekenhuis en was naar later bleek, zeer slechthorend – hoorden daar die krengen regelmatig overvliegen. Met een oorverdovend lawaai. En waren als een kind zo blij, als dit geluid bleef aanhouden. Een overtuigend bewijs, dat die raket bleef vliegen. Jammer voor de Engelsen, goed voor ons.
Trouwens, die Engelsen bombardeerden de lanceerinrichtingen van die vliegende bom-men, min of meer lukraak. Zowat een hele woonwijk werd van de kaart geveegd. Hon-derden doden vielen hierbij helaas te betreuren. Dit alles natuurlijk tot genoegen van de Duitse propaganda. Over krokodillentranen gesproken.
Ik dwaal af! Terug naar het herbouwde klooster van Montecassino. Daar staande, kreeg ik toch een duidelijk beeld van wat zich toen afgespeeld moet hebben. Een redelijk smal dal, één weg met daar bovenuit torenend, een kolossaal massief klooster. Waarschijnlijk gebouwd in de tijd dat de kerk nog wereldlijke macht nastreefde en kloosters hierdoor iets hadden van vestigingwerken.
De aanstormende geallieerden moesten wel halt houden bij dit makkelijk te verdedigen ‘fort’. Eventjes oprollen was er niet bij. Enkele Duitsers met zo’n gigantisch mooi o-verzicht op het dal, konden met een paar automatisch wapens lang standhouden. Dat deden zij dus ook. Achteraf bekeken is het nog knap, dat dit klooster genomen werd.
Ik heb niet het klooster zelf bezocht. Mijn vrouw en ik zijn er omheengelopen. En kwa-men tot onze grote verrassing voor een kruisvormig Pools ereveld te staan. Waar menig Poolse bus geparkeerd stond om nabestaanden in de gelegenheid te stellen, na ongetwij-feld een groet aan de Poolse Paus, ook een laatste groet aan een gesneuveld familielid te kunnen brengen.
Over hun aandeel in deze slag heb ik maar weinig gelezen.Vreemd toch, hoe er met de Polen gesjoemeld is geworden na deze oorlog. Maar dit ter zijde. Daar staande kregen wij – mijn vrouw en ik hadden ons inmiddels bij de chauffeur van de bus gevoegd – een folder overhandigd. Een reclamefolder voor een museum, waarin een helder overzicht en alle informatie te bewonderen zou zijn over deze slag.
Maar hiermee hield het nog niet op. Want behalve het museumgedeelte was er volgens de folder ook een shop. Hier werden uniformen verkocht van vriend en vijand. Wie dat waren of zijn, is in Italië niet altijd even duidelijk. Verder was er een casino, dancing en last but not least een ristorante en een pizzeria. Daar – la Ciociara – kon voor een habbekrats gegeten worden. Onze chauffeur Andrea vroeg zich hardop af, of dit iets voor de groep zou kunnen zijn. Ter plekke besloten we die gok te wagen.
We haalden de overige passagiers op en reden na enig zoeken, een weinig aantrekkelijk (industrie)terrein op. Daar was het onooglijke museum. Als je niet beter wist een kle-dingshop. Maar in het front van deze shop zaten twee deuren. Één voor de winkel, de ander leidde ons, naar later bleek, via een smalle trap naar het museum op de eerste etage.
Dit alles moest onze lachlust wel opwekken. Deed het ook! Mede doordat we via dit oorlogsmuseum – klein maar heel interessant – uitkwamen in de dancing, het casino en het restaurantgedeelte. Echter: komisch of niet, dit museum was door deze octopus-constructie wel selfsupporting. En dat zijn er maar weinig in Nederland. Bovendien was de eenvoudige maaltijd, die we daar voorgeschoteld kregen, goed te verteren. Zeker gezien de lage prijs. We blijven Hollanders!
Zittend op het overdekte dakterras van het restaurant leek het of de tijd had stilgestaan. Nog steeds torende het herbouwde klooster ver boven het dal uit. En lag daar die weg, waarop de aanstormende soldaten zich destijds wel heel erg klein en kwetsbaar gevoeld moeten hebben. Alleen de serene stilte, die was er toen niet.
Dick Ket
